Oorsprong van aarbeving

Een seismograaf is een apparaat waarmee de kracht van een aardbeving kan worden gemeten. Maar een seismograaf kan ook vaststellen hoe ver weg de aardbeving heeft plaatsgevonden, ook als niet precies bekend is in welke richting gemeten moet worden. Als de afstand van de seismograaf tot de aardbeving bekend is, kan er een cirkel getekend worden rond de seismograaf, die alle mogelijke plaatsen aangeeft, gezien vanaf die éne seismograaf.

Als er twee seismografen zijn, die beiden de aardbeving hebben waargenomen, kunnen er al twee cirkels getekend worden. De aardbeving heeft dan plaatsgevonden op één van de twee punten waar de cirkels elkaar raken.

Als er ook nog een derde seismograaf is die de beving heeft gemeten, dan kan er ook rond die derde seismograaf een cirkel getekend worden. En die derde cirkel raakt dan per definitie één van de twee punten waar de eerste twee cirkels elkaar ook al raakten. Dat is de oorsprong van de aardbeving, het epicentrum.

Een aardbeving vindt meestal diep onder de oppervlakte plaats, gemiddeld zo'n 30 kilometer. Maar er zijn bevingen waargenomen die ongeveer 650 kilometer onder de grond waren.