Auto
- au•to [autoo, ootoo] de; m -’s; autootje vierwielig voertuig, aangedreven door een motor, voor het transport van personen of goederen
- In het grieks betekend automobiel zelfbewegend, auto- "zelf" en mobile - "bewegend".
Jaarlijks groeit het aantal auto’s in de wereld, dit komt voornamelijk door groeiende economieën als China, India en andere Aziatische landen.
Ook in Nederland zijn files de werkelijkheid van iedere dag en niet meer weg te denken uit de samenleving, dit ondanks het feit dat mensen worden aangemoedigd om gebruik te maken van het openbaarvervoer en mee te doen aan carpoolen
Historie
De eerste auto met een verbrandingsmotor ontstond in 1806 en werd uitgevonden door de Zwitserse uitvinder François Isaac de Rivaz. De brandstof was waterstofgas hetzelfde verbrandingselement als Etinenne Lenoir gebruikte voor de hippomobile in 1862. Na verbeteringen van deze motor in 1878 door Nikolaus Otto werd de auto een succes. Waterstof was in die tijd een grote tegenhanger van de eerder uitgevonden auto’s die op stoom reden. In 1885 bouwde Carl Benz een auto uitgerust met een benzinemotor.
Door de steeds strengere milieuwetgeving en het feit dat fossiele brandstoffen opraken is men op zoek naar nieuwe alternatieven. Hierbij kan je denken aan waterstof aangedreven auto's, hybride auto’s, elektrisch aangedreven auto's, verbrandingsmotoren die draaien op ethanol, methanol, biomassa en dergelijke technieken.
